Wie dinsdagnacht via CNN de verkiezingsavond in Kentucky en Oregon volgde kon, zoals elke avond, ‘the best political team on television’ bezig zien, voor en naast die inderdaad wonderbaarlijke ‘magic wall’ waarop John King alle mogelijke uitslagen en berekeningen tovert. Dat was niet nieuw.
Nieuw was de plotselinge bedeesdheid van al die in rotten van drie opgestelde commentatoren over de werkelijkheid: Hillary Clinton had in Kentucky wederom met bijna tweederde meerderheid gewonnen van Barack Obama die slechts 30% van de stemmen kreeg. Gut, tja, hm. Eindelijk werd een belangrijke conclusie werd getrokken: meer nog dan om ‘race and gender’ gaat het nu om de blanke elites versus de blanke Joe Sixpack, de Amerikaanse Jan Modaal. Deze conclusie kon iedereen die niet naar het uiterlijk der dingen keek maar naar de uitslagen en ‘exit polls’ al vanaf maart trekken toen Clinton in West Virginia ook al met een dergelijke meerderheid won, en daarna in Pennsylvania en elders. In het progessievere Oregon won Obama dinsdag dus, met 58%.
Onthullender was de vraag die een CNN-commentator zichzelf en haar collegae stelde: hoe kan het dat Clinton in Kentucky zo ruim won terwijl ‘We, the Media’ haar al maanden hadden afgeschreven, en ook in steeds ruwere bewoordingen hadden opgeroepen ermee op te houden?
De Nederlandse media waren en zijn nog veel meer pro-Obama en anti-Clinton dan de Amerikaanse. Zo noemt deze krant o.a. zijn vermogen geld aan te trekken, en beschrijft NRC Handelsblad (21 mei) dat het geweldige succes van Obama mede te danken is aan die geweldig slimme, nieuwerwetse manier waarop zijn staf internet inzet. De vraag is of hier niet oorzaak en gevolg door elkaar worden gehaald.
Menig politicus en journalist denkt dat hij/zij via de media machtig is. Dat ze zo de hoofden van de mensen kunnen vullen als betrof het holle vaten. Zij wanen zich de kapitein van het zeilschip, die denkt dat hij het is die de boot vooruit jaagt, terwijl het toch echt de wind is die in de zeilen blaast. Zonder wind valt alles stil. Zonder wind gebeurt er ook op internet niks.
En als er wel wat gebeurt, kan het een warme bries zijn of een vernietigende orkaan. Of, om met apostel Jakobus te spreken: ‘Uit dezelfde mond klinkt vloek en zegen’. Hij meende dat dit toch niet goed kon zijn, net zomin als een vijgenboom olijven kan voortbrengen of een zilte bron zoet water, en dat de mensen dus maar één woord moesten spreken, dat van Jezus Christus.
Dat is niet gebeurd, en in de profane werkelijkheid kan elk medium ten goed een ten kwade aangewend worden. Alle praat over ‘slim gebruik’ van dé media miskent het feit dat de kracht van de ‘winds of change’, die vanaf eind vorig jaar Obama de wind in de rug gaven, helemaal niet zo simpel samengesteld waren als het leek: George Bush, Irak, Oprah Winfrey. Nieuwheid, welsprekendheid, zwart enthousiasme en blank schuldgevoel, van alles en nog wat speelt in dit mengsel een rol.
Als altijd gaat het ook in dit mediatijdperk om de trits: tijd, boodschap, boodschapper. De media komen pas hierna. Speelt hét dominante medium van de periode dan geen rol? Vanzelfsprekend. Met zijn adagium ‘The Medium is the Message’, bedoelde McLuhan echter niet wat menigeen denkt, namelijk dat als je maar met je hoofd op de tv komt, het er niet toe doet wat je zegt. Hij bedoelde dat elk nieuw medium de hele technische en sociale, en ook mentale, infrastructuur van de samenleving verandert, ook de verhoudingen tussen de mensen en groepen.
Zo kunnen we stellen dat de komst van internet het emancipatieproces dermate heeft versterkt dat er sprake is van absolute gelijkheid: de mensen kunnen met elkaar communiceren zonder bemiddelaars zoals ‘de oude media’. We kunnen zelfs stellen dat er de afgelopen tien jaar sprake is van een bewustzijnsexplosie. Veel traditionele gezagsdragers en media werden er, tijdelijk, bijna geheel door omver geblazen. Fortuyn’s succes in 2001/2 was deels ‘internet-driven’, door wel een tiental fan-sites.
Kenmerkend voor deze bewustzijnsexplosie zijn de record aantallen kiezers die de afgelopen jaren naar de stembus gaan. In Nederland bedroeg de opkomst bij het EU-referendum in 2005 en de verkiezingen van 2006 circa 80 %. In Frankrijk was het bij dezelfde verkiezingen, in 2005 en 2007, niet anders, en bij de recente lokale verkiezingen in Groot-Brittannië evenmin. En nu trekken ook in de VS record aantallen Democratische kiezers naar de stembus.
Maar hier rijst dezelfde vraag naar de macht van de media. Immers de grote opkomst betekende in al deze landen geen grote consensus, maar grote verdeeldheid. Waarom? Ongetwijfeld omdat internet - en die goede oude radio en televisie - tezamen geleid hebben tot een soort hyperbewustzijn, van zichzelf en van de eigen macht, en zo tot de overtuiging dat de eigen stem meer dan ooit telt.
Of zou het toch, net iets meer nog, gaan om de belangen die mensen in het geding wanen? Overal deze jonge eeuw voelen mensen in het Westen dat er onmisbare waarden en dingen verloren dreigen te gaan of, zoals in Frankrijk en nu in de VS, juist moeten veranderen om waarden en dingen niét verloren te laten gaan. Bewustzijn en belangen, daar gaat het dus ook in dit internettijdperk om. We laveren ook nu permanent tussen schijn en werkelijkheid. Menig mediacriticaster mag graag Machiavelli aanhalen die tegen De Vorst zei: ‘Iedereen ziet wat je lijkt te zijn, en slechts weinigen ervaren wie je werkelijk bent’. Ofwel, doe een imagokunstje en belazer de kluit. Maar deze zin was slechts de intro van de clou van zijn advies: verover en onderhoud de staat, dan zul je geprezen worden. ‘Het gewone volk is altijd onder de indruk van schijn en resultaten’.
In deze tijden van turbokapitalisme zien de mensen wat de resultaten voor hen zelf zijn, en ze willen verandering, welke regering er nu ook zit. En wat ‘de media’ ook zeggen. In de VS gelooft daarom Joe Sixpack dat ie beter af is met Clinton dan Obama, hoeveel miljoen hits hij ook op zijn site heeft, en hoezeer hij ook al tot winnaar en nieuwe president is uitgeroepen door de andere media.